Groningen en Grunneger,
SCHRIJVERSGALERIJ schrijvers, dichters en Groningen: W.F. HERMANS
Meer over Hermans
W.F. Hermans
Hermans-magazine
Artikel NRC 25 augustus 2000
Hermans bracht Benders rond 1980 op het idee een boek over Nietzsche te maken, de filosoof waar Benders zich al sinds zijn studie wijsbegeerte en Nederlands hevig voor interesseerde. Hij zocht tientallen jaren in heel Europa naar materiaal van en over Nietzsche en deed bijzondere ontdekkingen. Zo heeft hij bijvoorbeeld de verdwenen schrijfmachine van Nietzsche teruggevonden. Het boek is dit jaar eindelijk verschenen: Friedrich Nietzsche - Chronik in Bildern und Texten (Zie de bespreking op pagina 1).
Willem Frederik Hermans woonde en werkte een belangrijk deel van zijn leven in Groningen, hij was verbonden aan de RUG in de periode 1952-1973 en van 1952 tot 1967 woonde hij in Groningen, daarna tot 1973 in Haren.
Het goede is....(Interview met W.F. Hermans) door Andrzej Dabrovka. Warschau, 21 mei 1994.
En hoe bent u dan tot het verzamelen van schrijfmachines gekomen?
In 1939 ging mijn zuster dood en die had een schrijfmachine, een portable, tot 1960 heb ik er alles op geschreven,
alles. Die ging met mij op reis naar Amerika ook. Toen werd ze een beetje oud en ik moest een nieuwe hebben.
Ik kende in Groningen een man, de man van de vriendin van mijn vrouw, hij had een winkel met onder andere schrijfmachines.
En die verkocht mij een Erica. Erica was een Oostduits merk, een op zichzelf goed merk, maar ja: In Oost-Duitsland
maakte het niets uit, of je hard werkte of niet, dus die machine was slordig gemaakt, dat zag ik niet,
ik had nog geen verstand van schrijfmachines.
Op Terschelling werkte ik aan het filmscenario voor Als twee druppels water, een film naar De donkere kamer...
Daaraan werkte ik vooral 's nachts. En ineens ging die machine kapot, het was een simpel iets. Het was een
ouderwetse schrijfmachine met een lintheffer, als je op een toets hamerde, ging het lint omhoog.
En toen midden in een zin werkte dat niet, dus kwam er niets op papier. Nu hou ik niet van dat Damokles-boek,
eigenlijk heb ik er een hekel aan, en ik vond het schrijven van dat scenario een vreselijk werkje.
Dus dat ook nog! Ik stond op, wierp eerst die machine door de kamer en toen schopte ik nog mijn stoel erachter aan.
Het waren eenvoudige stoelen met van dat dunne plastic, ik had puntige schoenen, de schoen ging zo door het plastic
heen en ik stond met mijn voet in de stoel en die kon ik niet zo makkelijk vrij krijgen.
Het was in het holst van de nacht. Maar er moet toch soms een ethisch besef... er moet een ethisch bewustzijn
bij mij zijn dat ik toen dacht: Nu heb je je zó belachelijk gemaakt - dat vond ik zo dom - zo belachelijk,
nu wil ik niet meer bestaan, nu moet het afgelopen wezen. En ik liep het huis uit, liep naar de zee, met het idee
mij in de zee te storten en te verdwijnen. Maar het was twee kilometer lopen naar de zee, dus voor ik zover was,
was ik al op andere gedachten gekomen. Toen ben ik weer naar huis teruggewandeld.
Maar de schrijfmachine was helemaal kapot, helemaal ruitvormig verbogen van die klap tegen de muur.
Ik was niet zo goed, of de volgende dag moest ik op mijn fiets stappen. Het was aan de oostzijde
van Terschelling, en aan de westzijde heb je een stadje waar een boot vaart. Met die boot moest ik
naar Friesland, naar Harlingen, een moeizame reis maken naar Groningen, in Groningen haalde ik mijn oude
schrijfmachine op, ondertussen had ik honger gekregen, dus heb ik op de Grote Markt
bij de Chinees een bord bami gegeten...
Weet u dat nog allemaal?
Ja, het heeft grote indruk op me gemaakt, heel diep. Toen weer terug met de trein naar Harlingen en met
de avondboot naar Terschelling en daar met de schrijfmachine achter op mijn fiets naar die boerderij waar
wij woonden. Daar heb ik het scenario voltooid. Maar nadien logeerde ik bij vrienden in Amsterdam.
Ik liep in de Raadhuisstraat, daar heb je zo'n winkelgalerij met zuilen en daar was een grote winkel met
schrijfmachines. Die had een grote schrijfmachine van het merk Barlock, een Engelse machine van omstreeks
1928, grote gietijzeren machine, het was net een tribune van een arena. Ik dacht: Als ik zo'n machine heb,
dan heb ik de ellende niet, als de ene kapot gaat, dan heb ik een andere, kan ik gewoon verder doorgaan,
hoef ik geen stoelen in elkaar te trappen. Toen begon ik schrijfmachines steeds meer te bewonderen.
Als ik dus ergens een mooi exemplaar zag, kocht ik het. Al gauw waren het er een stuk of drie, vier, vijf en
toen was het niet meer te houden. Toen zag ik ze overal. Als je er eenmaal op gespitst bent, dan zie je ze overal.
Wij hebben het over Poolse schrijvers in het buitenland gehad. Voor ons is een schrijver die zijn land verlaat
een problematische figuur: Er moeten bijzondere historische redenen zijn voor zijn vertrek, het is bijna altijd
een politieke daad. Hoe was het in het geval van uw vertrek naar Parijs. Was u daar in ballingschap?
Omstreeks mijn vijftigste verjaardag. Toen stonden de kranten dus vol van: Hermans dit, Hermans dat.
En dat ik boeken schreef, dat was een groot deel van de Groningse professoren niet opgevallen.
Romans schrijven, zoiets! En toen opeens die grote stukken in de kranten. Dat was één. En punt twee was dat
in die jaren, omstreeks 1970, de studenten alles wilden vernieuwen. Ze wilden geen colleges meer volgen.
Toen zei ik: Dan zal ik responsiecolleges houden, de studenten moesten dus responderen, maar als zij daar niks
voor uitvoeren, dat is de bedoeling niet. Dus zei ik: Ik wil een lijst met namen van de studenten hebben en dan
schrijf ik op of ze responderen en of ze voldoende vorderingen maken. "Dat doen we niet. U hoeft onze namen
niet te weten". Ja, dat is om gek van te worden, dat de docenten de namen van hun studenten niet weten.
Stukje in een studentenblad. Nederland was toen nog verzuild. Je had dus een blad "Trouw", dat bestaat
ook nog steeds, maar toen was het een streng gereformeerd blad, hè. En in die kringen ging ik al door
voor een zeer onzedelijk schrijver. En "Trouw" dacht: Ha! [wrijft handen]. Wij gaan hem pakken.
En ze pikten toen dat verhaal over van: Hermans doet maar niks, die schrijft maar romans en geeft geen
onderwijs. En toen werden door een gereformeerd kamerlid vragen in de Tweede Kamer gesteld. En die
minister, ja, die had moeten zeggen: Deze tweede kamer van volksvertegenwoordiging is niet geschapen
om dorpsproblemen te behandelen. Als er problemen in Groningen zijn, moet u aan het bestuur van de
universiteit schrijven, dan wordt u misschien geholpen. Maar die minister heeft heel lafhartig gezegd -
want het zat politiek zo, hij wou dat de mensen meer zakelijk waren, dat er niet met geld gesmeten werd.
En als dat kamerlid zei: Kijk eens, in Groningen daar wordt geld weggesmeten, aan die Hermans die niets
doet dan romans schrijven. En die minister De Brauw zei sullig: O ja, ik zal de vraag doorgeven naar Groningen.
Het bestuur van de universiteit van Groningen heeft toen onderzocht wat ik wel en wat ik niet deed.
Maar ik had niets fout gedaan, daar is geen sprake van plichtsverzuim geweest. Na zoveel tijd hebben
ze het rapport naar de Tweede Kamer gestuurd, maar intussen was De Brauw al afgetreden als minister.
In de machtskringen, in Den Haag bestaan geen politieke vijanden, iedereen is met iedereen ondergronds
solidair, dus dat rapport heeft een hele tijd gelegen zonder dat iemand er notitie van nam en het is
ook nooit openbaar geworden, dus alle Groningers dachten: O, daar heb je die Hermans.
Twee jaar later dacht ik: Waarom zou ik mijn laatste levensjaren daar verknoeien aan een universiteit
in Groningen, ik ga liever in Parijs wonen, een interessante stad en daar kan ik ook mooie boeken schrijven.
En toen heb ik ontslag genomen. Iedereen zei: Zie je, hij erkent ongelijk. Het was me ook afgeraden in Groningen,
maar ja, had ik, alleen om in de ogen van de Tweede Kamer geen ongelijk te krijgen moeten blijven,
waar ik het niet leuk meer vond?